![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Periode: 22-06-2009 / 09-07-2009, door Rick de Haan Motorreis Ierland, Dit reisverslag is voor € 24,95 tevens in boekvorm te bestellen. Neem contact op via ierland2009@haanweb.nl.
Reageren op dit reisverslag?
Vandaag begint onze motorvakantie naar Ierland. De motor is kortgeleden nog helemaal nagekeken, voorzien van gloednieuwe spaken, remblokken, etc. Omdat we de nachtboot vanaf Hoek van Holland nemen hebben we nog een hele dag om in te pakken. Dat komt goed uit, want de leren tas die we klaar hadden staan blijkt te klein voor onze wensen. Dus ga ik snel nog even naar de stad voor een grote sporttas. Bij de vierde winkel slaag ik en race ik naar huis om de bagage over te hevelen en wat extra bagage toe te voegen. Als ik de tas achterop Lucy (de naam van de motor) plaats, dient zich het volgende probleem aan: de tas is te groot. Ik zie mijn kentekenplaat niet goed omdat de tas er overheen hangt. Dus haast ik mij nog even naar de Gamma voor een op maat te zagen spaanplaatje van 3 euro. Thuisgekomen ga ik met zaag en hamer aan de slag. Het eindresultaat is afzichtelijk, maar functioneel. De supersized sporttas bind ik met twee spanbandjes vast en het zit als gegoten. Nadat we om afwas te sparen nog even een ovenpizza naar binnen schuiven, vertrekken we rond 19:00 uur naar Hoek van Holland. Hoewel we vroeg zijn kunnen we meteen de boot op. Een helper denkt dat ik het voldoende vind als Lucy met één spanbandje wordt vastgezet. Mooi niet! Met een extra spanbandje van Stenaline en twee van mezelf durf ik het uiteindelijk aan om Lucy achter te laten. Op de boot hebben we een hutje met een stapelbed. Nadat we tijdens de zonsondergang vanuit de bar de Noordzee onder de boot hebben zien doorglijden, houden we het vroeg voor gezien. Morgen namelijk de langste rit!
Om 05:00 uur gaat de wekker van mijn GSM. Tijdens
motorvakanties worden we heel toepasselijk gewekt met
motorgeronk. Om 05:30 uur zitten we aan ons eerste Engelse
ontbijt van de vakantie. Ik blijf de onwaarschijnlijke
combinatie van witte bonen in tomatensaus, scrambled eggs,
worstjes, bacon en champignons heerlijk vinden. Rond 06:10
uur proberen we met onze bagage terug bij Lucy te komen. Het
blijkt echter dat we gisteren even beter hadden moeten
opletten op welk dek we haar hebben achtergelaten. De deur
bij dek 3 is nog dicht. Achteraf begrijp ik dat we gewoon te
vroeg zijn, maar daarvoor loop ik eerst wel bepakt en bezakt
langs de receptie op dek 8. Lucy staat nog fier overeind op
dek 2, blijkt later. Na zo’n 350 km. heb ik de snelweg wel
zo’n beetje gezien. Ik toets op de Garmin in dat ik naar de
plaats van bestemming wil zonder de ‘autobahn’ te volgen
(sommige dingen schrijft Garmin alleen maar in het Duits).
Dat resulteert echter in 100 mijl extra afstand, dus van dat
idee stap ik weer snel af. Op het moment dat we een tolbrug
op rijden begrijp ik waarom Garmin wat moeilijk deed over
een alternatieve route. Het vermijden van tolwegen was
namelijk standaard ingesteld. Niet lang na de tolbrug duiken
we alsnog de M4 af, maar het enige alternatieve aan de route
is de toename van het aantal rotondes. Ik ben blij dat ik de
meeste routes in Ierland in combinatie met Google Earth heb
gepland, zodat ik ervan overtuigd ben daar wel meer scenery
te vinden.
Volgens Garmin zou het stukje Pontypridd – Fishguard ongeveer 1 uur en 43 minuten duren. Omdat ik gewend ben dat ik daar altijd wel iets bij op moet tellen, reken ik op 2 uur reistijd. Onderweg zie ik, ondanks dat ik nagenoeg constant de oncomfortabele maximum snelheid rijd, dat ons aankomsttijdstip nagenoeg met de minuut wordt aangepast. Uiteindelijk arriveren we zo’n drie minuten voor laatste inchecktijd. Van de prachtige vergezichten die we nu onderweg wel tegenkwamen heb ik door de haast niet veel gezien. Wat telt is dat we op tijd zijn en we alle reisstress voorlopig vaarwel kunnen zeggen. Behalve ons slaapadres van vanavond, hebben we geen vaste B&B’s geboekt. We gaan rijden als we willen rijden en blijven hangen als we willen blijven hangen. Dat is pas écht vakantie wat mij betreft. De boottocht verloopt voorspoedig en onze B&B hebben we ondanks een navigatiefoutje mijnerzijds al snel gevonden. Kilmore Quay blijkt een echt vissersdorpje, maar van vis bereiden heeft niet elk restaurantje kaas gegeten. Ondanks de pittige prijzen weet Silver Fox onze goedkeuring niet weg te dragen. Een rondje in de buurt van Kilmore Quay brengt de totale kilometerafstand van vandaag op 233 km. Hoewel Lucy zich nog goed houdt, blijk ik bijna een liter olie bij te moeten vullen. Ik weet dat ze soms wat dorstig naar olie is, maar in heuvelachtig gebied lijkt dat wel veel meer het geval dan langs de vlakke Nederlandse weilanden. Iets om extra in de gaten te houden.
Tijdens het ontbijt zitten we aan tafel met een Amerikaans stel, genaamd Van Cleve. We raken aan de praat en we krijgen nog wat tips waar we vooral langs moeten. Vandaag staat de Rock of Cashel op de planning, een prachtige ruïne van een kathedraal uit de 13e eeuw. Op de Garmin heb ik een route via de B-wegen ingepland, maar die valt vies tegen. De wegen zijn belabberd en door de begroeiing links en rechts van de weg hebben we ook niet veel uitzicht. Als we vinden dat we na zo’n 30 km. voldoende onze billen hebben getrild op het gatenkaas dat voor asfalt moet doorgaan, vervolgen we onze route via de N- en M-wegen die beter te begaan zijn. In Cashel bezichtigen we de ruïne en de graven. Het wolkendek
met schapenwolkjes staat mooi voor de foto’s. In Cashel eten
we bij een restaurantje dat je zonder reisgids niet weet te
vinden. Het wordt terecht door de ANWB geadviseerd:
De Bishops Buttery van Cashel Palace Hotel. Klinkt duur, maar
dat valt alleszins mee. Een paar kilometer verderop, helaas niet in het centrum dus, vinden we een alleraardigst B&B’tje genaamd Amanda’s Place. Amanda heet overigens Eileen, maar dat mag geen naam hebben. We hebben een bed voor vannacht en dat telt. Nadat we onze bagage in de kamer hebben gedumpt, bezoeken we de distilleerderij van Jameson en bezoeken we het winkelstraatje van Old Midleton. Vervolgens eten we bij een helemaal niet zo duur, maar overheerlijk restaurantje genaamd Raymonds Restaurant vlakbij de ingang van de distilleerderij. Omdat we niet met onze B&B op loopafstand van een pub zitten, is een pub-bezoek met de nodige consumpties uitgesloten. We besluiten nog even het havenstadje Cobh te bezoeken. Dit stadje staat bekend als laatste havenplaats van de Titanic. Het ritje ernaartoe is veelbelovend en het plaatsje zelf blijkt te bruisen van energie. In het centrum zijn meerdere B&B’s en ook een AA-hotel (De Engelse tegenhanger van de ANWB) te vinden. Als we dit eerder hadden geweten, hadden we hier onze plek voor vannacht gezocht. Na wat mooie foto’s is het weer tijd om huiswaarts te gaan. Na het inparkeren van de motor check ik bezorgd het oliepeil, dat blijkt nog op maximum te staan. Dat is een meevaller vergeleken met gisteren. Lucy’s dorst lijkt qua olie voorlopig gelest, dus kennelijk heeft ze er zin in!
De eerste stop van vandaag is Blarney Castle. Na het betalen van entreegeld lopen we het keurig verzorgde terrein op. Na een paar minuten zijn we bij de redelijk goed geconserveerde ruïne. We vinden aardig wat leuke en mooie fotomomentjes
voordat we de motor starten om de West Cork Coastal Route in
het zuiden te volgen. Al snel blijkt waarom ik deze route
thuis heb uitgezocht; hij is práchtig! Nu zien we eindelijk
scenic Ireland zoals de plaatjes ons beloofden. Als ik die bel krijg ik de horen dat hij er
binnen 10 minuten is. Na inderdaad zo’n 10 minuten komt er
een mannetje op de fiets die de winkel opent. Hij blijkt te
hebben wat ik zoek en ik koop meteen drie literflessen. Lucy
moet wel heel erge dorst krijgen als dat niet voldoende is! Ruim anderhalf uur genieten we van de traditionele Ierse folkliedjes. Nadat ik een gekregen glaasje whisky heb opgedronken, besluiten we dat het tijd is om naar bed te gaan, de Ierse feestvierders achterlatend.
Vandaag ontbijten we wat later, omdat het vrouwtje van de B&B nog even het stadje in moet voor ontbijtingrediënten. Rond een uur of negen rijden we de Ring of Beara op in de richting van de Healy Pass. De wegkwaliteit is nu redelijk goed. Vanwege de warme temperatuur en de route langs een prachtige kust, waan ik mij een beetje in Californië; alhoewel ik daar nooit geweest ben. Volgens mij komt het ook een beetje door de begroeiing. We zien veelvuldig tropische planten, familie van de palm volgens ons. Hoewel Ierland een nat klimaat heeft, zijn de temperaturen kennelijk zodanig dat je hier planten vindt die je in Nederland niet ziet. De Healy Pass is adembenemend. De weg is over het algemeen
net breed genoeg voor 1 auto, maar die komen we maar
ongeveer vier keer tegen. Voor de rest zien we eigenlijk
alleen maar schapen. De wegkwaliteit laat over het algemeen
geen snelheden van boven de 30 km/u toe. Dat is maar goed
ook, want het zou zomaar kunnen dat je hier een noodstop
voor een paar overstekende schapen moet maken. Na de picknick passeren we een mini-Stonehenge, een typisch oud vervallen boerderijtje en zien we even later de Skellig-eilanden voor ons opdoemen. We verlaten de Ring of Kerry en vervolgen via de Skellig-route, die iets minder druk bevolkt is. Van snelheidslimieten hebben de Ieren nog geen kaas gegeten. Op wegen waar je vanwege het versleten wegdek niet boven de 40 km/u komt, zetten ze doodleuk borden neer met een snelheidsbeperking van 80 km/u. Het zal wel een vorm van Ierse humor zijn. Omdat we gelukkig goed opletten zien we een bordje opdoemen met de mededeling dat er een uitzichtpunt is over de mooiste kliffen van Kerry. Het zal het niet halen bij de Cliffs of Moher, maar wij vinden het ondanks de € 3,50 toegang per persoon vooralsnog prachtig. Daarna is het tijd om een slaapplek voor vanavond te vinden. We rijden door naar het levendige plaatsje Killarney, waar we een prima B&B-adresje vlakbij het centrum vinden. Killarney blijkt overigens een motorvriendelijk plaatsje te zijn. Hoewel we in Ierland niet veel motorrijders tegenkomen, zien we er hier bij menig hotelletje of bar een aantal geparkeerd staan. We treffen zowaar ook nog een heus bikerscafé genaamd Kelly’s Corner, waar we een bakkie koffie halen. Voor ons vanavond verder geen alcohol en live muziek.
Mogelijk vanwege het late tijdstip van gisteren en de tijd
die we vandaag kwijt zijn geweest aan het rijden en foto’s
maken, besluiten we om er vanavond vroeg in te duiken.
Vanochtend staan we voordat de wekker gaat al naast ons bed. Het inpakritueel van de bagage zit er al goed in. Na wederom een traditioneel Engels/Iers ontbijt verlaten we het centrum van Killarney en rijden we even later al langs het bord dat aankondigt dat we ons in Killarney National Park bevinden. We hebben onze zinnen gezet op een kijkje bij Torc Waterfall. Op een gegeven moment passeren we een parkeerplaats waar bij staat dat vanaf daar de (wandel)route naar Torc Waterfall begint. Een aantal louche paardenkoetsiers proberen ons een ritje voor € 30,- p.p. aan te smeren, maar daar trappen we niet in. Waar we wel bijna intrappen is een wandelroute van 6 km. Nadat we van een behulpzame passant horen dat de Torc Waterfall prima met de auto of motor even verderop te bereiken is, stappen we snel weer op de motor om een paar kilometer verder te rijden. Ook daar staan weer louche
paardenkoetsiers te wachten op hun volgende slachtoffers.
Eentje begint meteen te bellen zodra we de motor parkeren.
Dat doet ons besluiten om beurtelings de waterval te
bezoeken, zodat de ander bij de spullen kan blijven.
Hierdoor zien we ook dat diezelfde louche paardenkoetsier er
een rare hobby op nahoudt, namelijk het noteren van
kentekens. Dat doet hij ongetwijfeld om te checken hoe lang
de voertuigen staan geparkeerd, om redenen die zich laten
raden. Aan het einde van de toeristische weg door Killarney National Park, de N71 Muckross Road, draai ik bij Molls Gap de R568 op en daarna via de Blackvalley en Dunloe Upper naar de Gap of Dunloe. Ik ben er vrij zeker van dat Lucy oorspronkelijk niet voor dit soort wegen is gemaakt, maar ze houdt zich goed. Als één van de vele wandelaars ons toeroept: “On a Harley, thát’s the way to do it!” roep ik lachend terug: “Yeah, but I’m pretty sure it’s not made for these roads!” De rit is echt genieten. Veel klimmen, veel dalen, veel bochten en zeer veel fotomomentjes. Aan alles komt echter een eind en zo ook aan deze bergroute. Algauw duiken we de N72, N70 en R561 op om net als het gaat regenen te eindigen in Dingle. Hier blijven we twee dagen, zodat we ook tijd kunnen nemen voor een boottochtje rond de Blasket Islands, waar we hopen wat zeehonden, dolfijnen en papegaaiduikers te spotten.
Vandaag hebben we een rustdag gepland, wat al begint bij het tijdstip dat we uit bed komen. Het ontbijt wordt pas om 09:00 uur geserveerd, dus even na achten stappen we pas onder een verfrissende douche. Na het ontbijt bezoeken we het zeeaquarium van Dingle dat 30 meter naast onze B&B ligt. Op zich ben ik niet zo van de dierentuinen en aquaria, maar het doodt de tijd omdat we pas om 14:00 uur naar de Blasket Islands varen. Na een lunch en een bakkie is het om 14:00 uur dan zover. We varen de baai uit en worden meteen begroet door Fungi, de beroemde dolfijn die hier al zo’n twee decennia de toeristen vermaakt. Tot nu toe geloofde ik dat Fungi-verhaal over Dingle niet zo, maar nu ik hem (of haar) met eigen ogen zie en zelfs meerdere malen fotografeer, gaat elke vergelijking met Loch Ness mank. Vervolgens varen we langs de ruige kusten van de Blasket Islands, waar we prachtige rotsformaties, zeldzame zeevolgels inclusief enkele papegaaiduikers, beehive huts, enkele zeehonden en op het laatst nog een keer Fungi zien. Helaas zien we geen walvissen, maar dat schijnt dan ook zeer zeldzaam te zijn. Voor het diner hebben we gereserveerd bij het visrestaurant Out of the Blue, wat een heel verstandige keus blijkt te zijn. Om de prijs een beetje te drukken houden we het alleen bij het hoofdgerecht. We blijken daarna nog wat tijd over te hebben en hoewel we ons qua motorrijden een rustdag hadden gegund, kunnen we onszelf niet weerhouden om na het diner toch even de motor te pakken voor de westelijke kustroute. Ook dit ziet er weer prachtig uit, geaccentueerd door de bijna ondergaande zon achter dikke lagen schaapjeswolken. Ik heb het gevoel op het randje van Europa te rijden, zo kijkend naar de Atlantische oceaan links van mij en het Ierse landschap rechts van mij. Welbeschouwd klopt dat overigens ook wel, dat randje van Europa. We komen overigens zelfs nog een paar beehive huts van dichtbij tegen, waar je overdag entree voor moet betalen maar nu geen geldwolven bij in de buurt te zien zijn. (Beehive huts zijn soort middeleeuwse stenen iglo’s die vanaf ongeveer het jaar 1000 zijn gebouwd). Na dit ritje in de avonduren zit het er voor vandaag weer op. Als we de weersvoorspellingen moeten geloven zullen we de komende dagen de regenpakken moeten aantrekken. Lucy is afgetankt en heeft er 400 ml. olie bij gekregen. Morgen rijden we naar het veer over de Shannon River en hopen we de Cliffs of Moher te bereiken. Met een beetje geluk met zo min mogelijk regen.
We beginnen vandaag met een ritje over de Connors Pass. Voor het eerst deze vakantie trekken we onze regenpakken aan. Dat blijkt vooral op de Connors Pass niet voor niets. Dikke mist beneemt het zicht links en rechts van ons en voor me zie ik zo’n 30 tot 50 meter ver. De Connors Pass zou op de motor een hemelse rit moeten zijn. De enige vergelijking voor ons met de hemel, is dat we zowel links, rechts, achter als voor ons wolken zien. Alsof de weg letterlijk door de hemel loopt. Na zo’n 10 kilometer trekt de mist op, maar is de Connors Pass alweer voorbij. Op de route naar de Cliffs of Moher snijden we zo’n 138
kilometer af door het veer over de Shannon te nemen. Voor
motorrijders en passagiers kost dat 9 euro. 2 ½ uur later
parkeren we onze motor bij de Cliffs of Moher. Ook hier
krijgen motorrijders korting. Waar een automobilist hier 8
euro kwijt is, kunnen wij de motor parkeren en hebben wij
toegang voor in totaal 2 euro. Daarmee voelen we ons
allerminst genaaid. Onze helmen kunnen we zelfs op een droog
plekje leggen. Nadat we de Cliffs hebben bezocht besluiten we onze route naar het oosten te verleggen, zodat we onze laatste dagen in Ierland in de omgeving tussen de Wicklow Mountains en de haven van Rosslare kunnen slijten. Het moet ons lukken om binnen twee dagen aan de oostkust te komen en tussendoor de nodige bezienswaardigheden te ontdekken. Op de kaart zie ik oostwaarts Burren National Park vermeld staan en op goed geluk rijden we daarheen. Zo’n twee uurtjes later doemen prehistorisch ogende heuvels voor ons op. Ze lijken op versteende modder- of lavastromen. Wat het extra mooi maakt, is dat we verder niets of niemand zien. Geen toerist, geen Ier, niemand. Als we even later verder rijden zien we wel hier en daar nog een geparkeerde auto, maar het lijkt (nog) geen toeristische trekpleister. Geheel toevallig rijden we een klein uurtje later langs een vervallen middeleeuws kloostercomplex, genaamd Kilmacduagh, dat in het jaar 610 gesticht is. Volgens het informatiebord behoort dit complex tot één van de best bewaarde kloosters. Op het moment dat wij er foto’s van maken worden de graven en gebouwen door de zon verlicht, terwijl de dikke donkere wolken daarachter ons de volgende bui aankondigen. Dat maakt alles tot een magisch, puur Ierse pracht. Onze route naar het oosten eindigt vandaag in Portumna, waar we een B&B nabij het centrum vinden. Hoewel we vandaag een paar buitjes hebben gehad, was het meestentijds droog. Mijn handschoenen zijn van binnen nog droog en ook mijn voeten zijn droog gebleven. Al met al lang niet slecht. En ach, je bent niet in Ierland geweest als je geen regen hebt gezien, toch? |
De rit richting Glendalough brengt ons vanochtend via heuvelachtig gebied dat vergelijkbaar is met de Eifel eerst naar Kildare. Uit de folders hebben wij vernomen dat het hier een broeinest van veulentjes is. We bezoeken de Irish National Stud, ofwel de nationale paardenfokkerij en de op dezelfde locatie gelegen Japanse Tuinen. Vervolgens rijden we via de prachtige R759, ook wel de Militairy Road genoemd, en de R755 naar het mystieke Glendalough in het midden van de Wicklow Mountains. Ik ben blij verrast als ik op een wegwijzer zie dat deze route de “Braveheart Drive” wordt genoemd, met als onderschrift: “Wicklow Film Trail”. Kennelijk heeft dit stukje Ierland een belangrijke rol gespeeld in mijn lievelingsfilm (die overigens over Schotland gaat, maar dat terzijde). Evenals bij de Connors Pass zien we er door de mist die ons hier begroet weinig tot niets van. Ik hoop morgenochtend op goed weer, dan proberen we dit stukje gewoon nog een keer. Onze rit van vandaag eindigt in Glendalough, waar we na het vinden van de meest prijzige B&B van deze vakantie de uitstekend bewaarde resten van een 13e eeuws kloostercomplex bezoeken. We wandelen ook nog even langs de prachtige Poulanass-waterval en het Upper Lake voor de nodige fotogenieke momentjes. De weersvoorspellingen voor vandaag waren negatief: veel regen en zelfs onweer. Uiteindelijk viel het gelukkig zodanig mee, dat mijn regenpak de gehele dag in de zijtas kon blijven zitten. Morgen nog zo’n dag?
Voor de tweede keer deze reis moeten we onze regenkleding aan, deze keer al bij vertrek. Allereerst rijden we terug naar de R759 ofwel de Militairy Road, in de hoop het deze keer minder mistig aan te treffen. Inderdaad is het iets minder mistig, maar het uitzicht is nog steeds beperkt door dikke flarden regenachtige mist. We weten nog wat plaatjes te schieten, onder andere van een soort dubbelloops watervalletje waar we eerder ook al een foto van hebben gemaakt. Nu is het water vanwege de regenval wat wilder en, kennelijk door de meegenomen modder, bruiner. Onze volgende stop is het High Cross bij Moone, wederom een middeleeuws kloostercomplex. Op één of andere manier blijft dit ons enorm boeien, maar zo te zien is dat niet representatief voor andere toeristen. Naast het feit dat de locatie best moeilijk te vinden is (je moet zelfs door een soort gat in de muur het terrein op) is er niets of niemand in de omgeving. Vandalisme kennen ze schijnbaar niet in Ierland. Dat is maar goed ook, want in Moone staan prachtige overblijfselen die zoals het High Cross stammen uit de negende eeuw. In een ander land zou dat volgens mij allang in een museum staan en zou je het pas na betalen van entree kunnen aanschouwen. Na Moone gaat onze rit verder naar de Dunmore Caves, niet ver van Kilkenny. Tijdens het optrekken na een krappe bocht voel ik een, helaas welbekend, vreemd geslinger onder mijn kont. Ik vrees met grote vreze dat Lucy mij aankondigt het na zo’n 2200 km. genoeg te vinden. Na een paar kilometer zie ik een veilig plekje om te stoppen en onder de motor te kruipen. Mijn vrees wordt bewaarheid als ik zie dat van de spaken die zo’n twee maanden geleden allemaal vervangen waren er vier links en een rechts zijn gebroken. Hoewel het
eigenlijk niet veilig is om veel verder te rijden, besluiten
we nog wel de 10 km. verderop gelegen
Dunmore Caves te
bezoeken en daarna te proberen nog in Rosslare te komen. De
slechte Ierse wegen in combinatie met misschien nog iets te
nieuwe spaken hebben hun tol geëist en het enige wat we
kunnen doen is hopen op niet nog meer pech. Gelukkig stopt
het met regenen, dus misschien is de Wet van Murphy nog niet
op ons van toepassing. In plaats van naar het bruisende Kilkenny proberen we
vervolgens met de motor zo dicht mogelijk bij Rosslare te
komen. Ik heb er weinig tot geen vertrouwen in dat er een
motorzaak in Ierland is die de juiste spaken heeft, dus
lijkt het me het beste om de boot naar Engeland te nemen en
daar de ANWB te bellen. Ik bel de ANWB en laat weten wat het probleem is. Ze gaan hun best voor ons doen, wordt mij beloofd. Hoewel ze willen proberen het probleem in Ierland op te laten lossen, hoop ik meer dat we straks in Fishguard opgepikt kunnen worden. Of we nog een paar dagen in Engeland moeten blijven, of misschien zelfs eerder thuis zullen zijn is nu nog de vraag. Gelukkig hebben we het mooiste van Ierland al gezien denken we en hoeven we voor het weer ook niet te blijven. Met een beetje geluk belanden we nog op tijd in het hogedrukgebied aan de oostzijde van Engeland of zelfs in Nederland om nog een graatje van de hittegolf mee te pikken.
We staan vroeg op voor het ontbijt om tijdig met de motor naar de haven te rijden. Hoewel Lucy wat onstabiel rijdt, lukt het zonder problemen om op de boot te komen. Op de boot heb ik even tijd om “Motorisch Gestoord” van Joost Overzee te lezen om mijn gedachten te verzetten. Balen is het natuurlijk nog steeds en het is nog maar de vraag wat ons aan de overkant allemaal staat te wachten. Midden op zee word ik gebeld door iemand van de ANWB. Hij
vraagt me naar de maat van mijn achterwiel en de maat van
mijn spaken. Ik heb geen flauw idee en verwijs hem naar de
website van Suzuki. Hij deelt me mee dat ze waarschijnlijk
wel een reparatieadresje in Engeland hebben. Ik ben
benieuwd… Ik bel de ANWB om erachter te komen of dit zo de bedoeling
was. Dat blijkt tot mijn schrik zo te zijn. Mijn kennelijk
iets te brutale vraag of het niet beter is om ons met een
sleepautootje naar Harwich te brengen valt niet bepaald in
goede aarde. De man van de ANWB helpt me plichtmatig verder
met informatie over het declareren van extra hotelkosten en
het regelen van vervangend vervoer, maar echt van harte gaat
het niet. De B&B maakt bijna alle ellende goed. De verbouwde boerderij is een plaatje. We wanen ons in een waar kasteeltje. Hier is het niet erg om een paar dagen op reparatie te wachten. ’s Avonds eten we in een cafeetje met uitzicht op het strandje van Little Haven. Hoewel ik ’s middags telefonisch al aan de ANWB heb laten weten geen vervangend vervoer meer nodig te hebben, belt een dame ons rond 19:30 uur om te laten weten dat er vanaf morgenochtend vervangend vervoer beschikbaar is. Ik laat haar weten hoe de vork in de steel zit en verbaas met toch wel een beetje over het amateurisme van de ANWB. Een enkeling zal ongetwijfeld zijn of haar stinkende best voor ons hebben gedaan, maar anderen maken er een potje van. Ik heb zeer vroegtijdig de ANWB gebeld en ze hebben ruim anderhalve dag gehad om wat zaken voor elkaar te krijgen. Uiteindelijk hebben we alleen een ritje met de sleepauto naar de plaatselijke Suzuki-dealer gekregen en hebben we de rest zelf moeten regelen. Meedenken lijkt niet echt te worden gewaardeerd. Als we volledig op de ANWB hadden geleund, hadden we tot ’s avonds laat in een industriegebiedje bij een Suzukidealer gezeten, om uiteindelijk te horen dat we morgenochtend een leenauto konden ophalen. Ik ben blij dat we daar niet op hebben zitten wachten.
Wachtdag 1. We slapen tot laat uit en na het ontbijt wassen we onze kleding in de badkuip. Omdat we op dit adres drie nachten kunnen blijven, heeft de kleding de tijd om te drogen. Na een ellendige twee dagen lees ik een zeer toepasselijk stukje in Motorisch Gestoord van Joost Overzee, blz. 103:
’s Avonds gaan we met de Pan weer naar Little Haven voor een dinertje. Daarna bezoeken we het nabijgelegen St. David’s Cathedral voor wat fotogenieke momentjes.
Wachtdag 2. Wederom uitgeslapen, wat moeten we anders? Buiten regent het, dus een stukje op de Pan is niet iets om voor de lol te ondernemen. Er is hier geen bereik met de mobiele telefoon, dus zelfs nutteloze sms’jes verzenden als tijdverdrijf is niet mogelijk. Het feit dat het daarnaast
toevallig ook zondag is, doet me terugdenken aan vroeger.
Vaak gingen we ’s zondags naar mijn opa en oma in de kop van
Noord-Holland. Op een druilerige zondag in het pré-pc en
pré-internettijdperk, zonder mijn eigen speelgoed, zat er
niets anders op dan boeken lezen die mijn ouders wellicht
ooit spannend hebben gevonden. Ik kwam vaak niet verder dan
de eerste bladzijde. Eigenlijk was ik er al eentje van de
computergeneratie en omdat internet voor consumenten nog
niet was uitgevonden, zat ik het liefst de hele dag te
teleteksten. Hier zitten we echter zonder computer, internet
of ander speelgoed op een druilerige zondag te wachten tot
het dinsdag of woensdag is, in de hoop dan op de eigen motor
naar Harwich te rijden.
Wachtdag 3. ’s Morgens bij het ontbijt begint de dag goed. We krijgen flinke korting op onze B&B omdat we niet alle faciliteiten hebben kunnen genieten. En natuurlijk uit medelijden voor onze situatie. Na het inpakken vertrekken we tijdens een licht buitje naar het centrum van Haverfordwest, waar we een niet al te duur hotelletje vlakbij het centrum vinden. Omdat we hier wel GSM-bereik hebben pleeg ik een paar belangrijke telefoontjes. De eerste is naar de B&B vlakbij Harwich, waar we vanavond niet zullen arriveren. De tweede naar de reisverzekering om deze te verlengen. Dat blijkt wegens ‘onvoorziene omstandigheden’ niet nodig. De derde gaat naar de motorzaak waar Lucy staat. De spaken blijken al binnen te zijn en terwijl ik de technische man aan de lijn heb is die net bezig het wiel te demonteren. Vanmiddag brengen ze de spullen naar het mannetje dat de spaken er in moet gaan zetten. Ze weten echter nog niet of en wanneer hij daar tijd voor heeft. ’s Middags bezoeken we het alleraardigste stadje, dat zoals
we hoopten op loopafstand winkeltjes, pubs en ander vermaak
biedt. Om 16:30 uur bel ik nogmaals de motorzaak. Hoewel ze
niets kunnen beloven, hebben ze goede hoop dat Lucy morgen
rond 14:00 uur klaar zal zijn. Rond die tijd moet ik nog
maar een keertje bellen. We hopen dat komende nacht onze
laatste nacht in het westen van Engeland zal zijn en mikken
nu op de dagboot vanaf Harwich van woensdag, met één
nachtelijke tussenstop om daar te komen.
Vandaag is de spanning bij mij om te snijden. Als het meezit hebben we vandaag de motor terug en kunnen we naar huis. De ochtend slenteren we wat rond in het centrum, totdat ik rond 12:30 uur niet langer kan wachten. Ik bel de motorzaak en tot mijn spijt hoor ik dat de motor pas rond 17:00 uur klaar zal zijn. Ons voornemen om direct na ontvangst van de motor naar Epping te rijden zal in het gedrang komen. We besluiten laat en zwaar te lunchen, zodat we in de avonduren onze tijd niet hoeven te verspillen aan diner. Omdat we toch moeten wachten, besluiten we om dat bij de motorzaak te doen. De leenmotor kunnen we dan inleveren en zodra onze eigen motor klaar is kunnen we dan meteen vertrekken. No time to waste! Rond 14:30 uur zijn we bij de motorzaak. De leenmotor wordt
ons door Duncan niet in rekening gebracht. Duncan laat ons
nog even internetten achter de computer van een collega,
terwijl zijn broer het achterwiel in de motor zet. Rond
15:45 uur krijgen we goed nieuws: de motor is klaar! Meteen
laden we de bagage op, halen we het laatste restje op bij
het hotel en rijden we oostwaarts naar Epping.
Om 02:00 uur gaat de telefoon. Ik schrik wakker uit mijn
niet al te diepe slaap en hoop op goed nieuws. Helaas, een
dame van de ANWB laat weten dat de AA (de Engelse ANWB) een
storing heeft en dat ze geen contact kunnen leggen. Ik
vertel haar dat als het wel lukt, wij uiterlijk om 06:00 uur
opgehaald moeten worden willen we de boot nog kunnen halen.
Tot een uur of 05:30 uur check ik elk kwartier mijn telefoon
op gemiste oproepen, maar helaas. Ik probeer een goede slaap
te vatten, in de verwachting dat ik nu wel kan uitslapen
voordat eventuele hulptroepen arriveren. De boot halen we
toch niet meer. Het
duurt echter tot 08:15 uur tot de sleepauto arriveert. Ik
vraag de chauffeur nog even voor de zekerheid: “You came to
take us to Harwich?”, waarop de chauffeur met een stalen
gezicht zegt: “No, to a local garage.” Ik leg hem uit dat
dit niet is wat ik met de ANWB heb afgesproken en bel met
een brok in mijn keel de ANWB weer. Opnieuw leg ik uit dat
reparatie zinloos is, totdat de werkelijke oorzaak duidelijk
is. Ook laat ik weten dat er ongetwijfeld weer dagen
overheen zullen gaan, terwijl we inmiddels moe gestreden
zijn en nog maar één ding willen: naar huis! De dame van de
ANWB overlegt zo’n 10 minuten, waarna het verlossende woord
komt: Er is toestemming ons naar Harwich te brengen en van
Hoek van Holland naar huis. Na een hele dag wachten in een troosteloos hokje bij het incheckpunt van de nachtboot, kunnen we om 20:30 uur eindelijk inchecken. We eten een hapje en ik drink nog een pint Heineken IJskoud. Blij dat we eindelijk bijna voet op Nederlandse bodem kunnen zetten, vallen we in een diepe slaap.
’s Morgens in Hoek van Holland word ik terwijl we nog op de
boot zijn gebeld door Theo, onze chauffeur van vandaag. Hij
staat klaar met een busje voor mijn motor en mij. De ANWB
blijkt te zijn vergeten dat we met zijn tweeën zijn. Theo
rijdt in een busje, met plek voor één passagier. Ik heb geen
zin om weer de ANWB te bellen - deze keer voor ander vervoer
- dus ik neem het
risico op een gordelbekeuring of ernstig letsel bij een
ongeval op de koop toe: ik kruip tussen bestuurders- en
passagiersstoel in. Gelukkig is het busje een automaat, dus
hoef ik niet met mijn edele delen op een versnellingspook te
zitten.
Alle foto's via Picasa:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||